Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Theatertuin Broeksterwâld
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.1891.bpBWtheatertuin-0301

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

 In deze regels wordt verstaan onder:
  1. het plan:
    het bestemmingsplan Theatertuin Broeksterwâld;
  2. het bestemmingsplan:
    de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1891.bpBWtheatertuin-0201 met de bijbehorende regels en de bijlagen;
  3. aanduiding:
    een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
  4. aanduidingsgrens:
    de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
  5. aan-huis-verbonden beroep of bedrijf:
    een dienstverlenend beroep of -bedrijf dat in of bij een woning en/of daarbij behorende ondergeschikte bebouwing wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroeps- of bedrijfsuitoefening ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;
  6. bebouwing:
    één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  7. bebouwingsbeeld
    de visuele waarden van het totaal aan bebouwing en de bebouwing in het landschap;
  8. bedrijfsbebouwing:
    bebouwing ten behoeve van een bedrijf, waaronder ook wordt verstaan bedrijfswoningen al dan niet in combinatie met ondergeschikte bebouwing;
  9. bedrijfswoning:
    een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;
  10. bestaand:
    het gebruik dat en/of de bebouwing die ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan legaal plaatsvindt, respectievelijk aanwezig is, dan wel bebouwing die kan worden gebouwd krachtens een verleende bouw- en/of omgevingsvergunning;
  11. bestemmingsgrens:
    de grens van een bestemmingsvlak;
  12. bestemmingsvlak:
    een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
  13. bouwen:
    het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, als mede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen van een standplaats;
  14. bouwgrens:
    de grens van een bouwvlak;
  15. bouwlaag:
    een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en kapverdieping;
  16. bouwperceel:
    een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
  17. bouwperceelgrens:
    een grens van een bouwperceel;
  18. bouwvlak:
    een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;
  19. bouwwerk:
    elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
  20. dak:
    iedere bovenbeëindiging van een gebouw;
  21. detailhandel:
    het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik, of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
  22. ecologische waarde
    de aan een gebied toegekende waarden die verband houden met de samenhang van dieren en planten en hun leefomgeving en/of tussen dieren en planten onderling;
  23. eerste bouwlaag:
    de bouwlaag op de begane grond;
  24. extensieve dagrecreatie
    die vormen van recreatie die in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving zoals wandelen en fietsen en die in principe plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang, met daarbij behorende voorzieningen zoals picknickplaatsen, bewegwijzerings- en informatieborden;
  25. gebouw:
    elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
  26. hoofdgebouw:
    een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmeting, dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken, met uitzondering van ondergeschikte bebouwing;
  27. houtsingel:
    cultuurhistorisch en landschappelijk waardevol lintvorming landschapselement bestaande uit inheemse boom- en struikbeplanting, waarvan bomen het hoofdbestanddeel vormen, al dan niet dienende ter eigendomsmarkering en/of perceelscheiding;
  28. kampeermiddel:
    een mobiel en/of vast kampeermiddel dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
  29. koffiehuis/coffeeshop:
    een bedrijf waar bedrijfsmatig (niet-alcoholische) dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, één en ander in combinatie met de verkoop en het gebruik van softdrugs;
  30. landschappelijke waarde
    de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied;
  31. milieusituatie:
    de waarde van een gebied in milieuhygiënische zin, die wordt bepaald door de mate van de scheiding tussen milieugevoelige en milieubelastende functies, daarbij in het bijzonder gelet op het voorkómen dan wel beperken van hinder door geluid, luchtkwaliteit, geur, stof en gevaar (externe veiligheid);
  32. mobiel en/of demontabel kampeermiddel:
    een tent, tentwagen, kampeerauto, toercaravan of enig ander onderkomen met de bedoeling deze te plaatsen op een kleinschalig kampeerterrein gedurende ten hoogste 3 aansluitende maanden per kampeerseizoen;
  33. nadere eis
    een nadere eis als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 onder d van de Wet ruimtelijke ordening;
  34. natuurlijke waarde
    de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en/of biologische elementen, voorkomend in dat gebied;
  35. niet-permanente bewoning:
    bewoning van een verblijf voor recreatieve bewoning;
  36. onderbouw:
    een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,2 m boven peil is gelegen;
  37. ondergeschikte bebouwing:
    1. ondergeschikte gebouwen of delen van gebouwen;
    2. een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overkapping en niet of slechts gedeeltelijk met wanden is omsloten;
  38. ondergeschikte detailhandel:
    detailhandel die qua oppervlakte en qua functie ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit van een niet-detailhandelsbedrijf;
  39. ondergeschikte gebouwen of delen van gebouwen:
    hieronder wordt de volgende bebouwing verstaan:
    • een gebouw dat als afzonderlijke ruimte dan wel als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan de hoofdvorm;
    • een op zichzelf staand gebouw, dat gelet op de bestemming en door zijn ligging en/of architectonische verschijningsvorm ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;
  40. openluchtvoorstelling:
    is een uitvoering van een muziek- of theaterstuk, een kerkdienst of een huwelijksfestiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van de aanwezige theatervoorzieningen, inclusief de opbouw en afbraak van decors en/of podium;
  41. peil:
    1. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst, de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
    2. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst, de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw dan wel het aansluitend afgewerkte maaiveld;
    3. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil dan wel het ter plaatse geldende waterpeil;
  42. paardenbak
    buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, voorzien van een zandbed en al dan niet voorzien van een omheining;
  43. permanente bewoning:
    bewoning van een verblijf als hoofdverblijf;
  44. prostitutie:
    het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
  45. risicovolle inrichting:
    een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde dan wel richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten;
  46. seksinrichting:
    een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
  47. Theatervoorziening:
    dit betreft het openluchttheater (podium en tribune met regiehok), de Teatertún en de binnen het bouwvlak op de plankaart toegestane overdekte theater-accommodatie;
  48. vast kampeermiddel:
    een stacaravan, trekkershut of ander recreatief verblijf op een kampeerterrein, welke naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven en al dan niet direct steun vindt in of op de grond (plaatsgebonden) en daardoor als bouwwerk is aan te merken;
  49. voorgevel:
    de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien een gebouw met meerdere zijden aan een weg grenst, de als zodanig door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen gevel;
  50. voorkeursgrenswaarde:
    de waarde voor de geluidsbelasting, zoals deze is opgenomen in de Wet geluidhinder;
  51. voorste bouwgrens:
    een naar de weg gekeerde bouwgrens, indien de voorste bouwgrens met meerdere zijden aan de weg grenst, de als zodanig door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen gevel;
  52. woning:
    een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
  1. de dakhelling
    langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
  2. de goothoogte van een bouwwerk:
    vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met dien verstande dat met het meten van de goothoogte ondergeschikte bouwdelen zoals wolfskappeneinden en goten van dakkapellen worden niet meegerekend;
  3. de inhoud van een bouwwerk:
    tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
  4. de bouwhoogte van een bouwwerk:
    vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
  5. de oppervlakte van een bouwwerk:
    tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  6. afstanden:
    afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot erfafscheidingen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen van bouwwerken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt.

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijf - tuincentrum

 

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Bedrijf - Tuincentrum’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. gebouwen ten behoeve van een hoveniersbedrijf in combinatie met tuincentrum,
en tevens voor:
  1. een bedrijfswoning, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, zoals genoemd in de bij deze regels behorende lijst van toegestane beroepen en bedrijven aan huis (bijlagen bij de regels bijlage 1);
  2. ondergeschikte bebouwing bij bedrijfswoning;
met de daarbij behorende:
  1. groenvoorzieningen;
  2. openbare nutsvoorzieningen;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. tuinen, erven en terreinen;
  5. waterlopen en waterpartijen;
  6. wegen en paden;
  7. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.2 Bouwregels

  1. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
    1. een gebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
    2. de goothoogte mag niet meer dan 3.5 m bedragen:
    3. de bouwhoogte mag niet meer dan 8 m bedragen;
    4. de dakhelling van een gebouw mag niet minder dan 30 graden bedragen;
    5. bedrijfswoningen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' worden gebouwd;
    6. het aantal bedrijfswoningen bedraagt één;
    7. de oppervlakte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 150 m² bedragen, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt;
    8. de goot- en bouwhoogte, dakhelling van een bedrijfswoning, mogen niet meer of minder bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte en dakhelling;
    9. de dakvorm van een bedrijfswoning mag uitsluitend de bestaande dakvorm bedragen;
    10. bij een bedrijfswoning mag ondergeschikte bebouwing worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden:
      1. de gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m²;
      2. de ondergeschikte bebouwing dient ten minste 1 meter achter (de lijn welke kan worden getrokken in het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevels van het hoofdgebouw van de bedrijfswoning te worden gebouwd;
      3. de goothoogte van ondergeschikte bebouwing mag niet meer bedragen dan 3 meter, dan wel ten hoogste de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw van de bedrijfswoning voor zover aan dit hoofdgebouw wordt gebouwd;
      4. de bouwhoogte van ondergeschikte bebouwing mag niet meer bedragen dan 6 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte ten minste 1 meter lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw van de bedrijfswoning.
  2. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
    1. de bouwhoogte van terrein en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen;
      de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen een bouwvlak mag niet meer dan 10 meter bedragen;
      de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten een bouwvlak mag niet meer dan 3 meter bedragen.

3.3 Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de goothoogte, bouwhoogte en dakhelling van gebouwen en de afmetingen en, voor zover buiten een bouwvlak wordt gebouwd, de plaats van de bebouwing, ten behoeve van:
  • een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • het behoud en herstel van de architectonische waarden en hun onderlinge samenhang op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'architectonisch waardevol gebied';
  • een goede woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

3.4 Specifieke gebruiksregels

Onder met deze bestemming strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
  1. detailhandelsactiviteiten anders dan direct voortvloeiend uit de activiteiten van het tuincentrum;
  2. gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande ondergeschikte gebouwen voor bewoning;
  3. het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande ondergeschikte gebouwen bij een bedrijfswoning voor een aan-huis-verbonden beroep, detailhandel en bedrijfsfunctie;
  4. het gebruiken of laten gebruiken van bedrijfswoningen in combinatie met een aan huis verbonden beroep en/of bedrijf, zodanig dat de woonfunctie niet in overwegende mate wordt uitgeoefend en er ernstige hinder of afbreuk wordt gedaan aan het woonmilieu. Dit is het geval als:
    1. de oppervlakte meer bedraagt dan 50% van de oppervlakte van het hoofdgebouw, vermeerderd met het oppervlak van aan het hoofdgebouw gebouwde ondergeschikte gebouwen, met een maximum van 45 m²;
    2. de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin niet primair is;
    3. de oppervlakte van een reclamebord meer bedraagt dan 0,5 m²;
    4. parkeren niet op eigen erf plaatsvindt;
    5. er sprake is van een onevenredige verkeers- en/of publieksaantrekkende werking;
    6. buitenopslag van goederen plaatsvindt;
  5. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en gebouwen voor detailhandelsactiviteiten bij een aan-huis-verbonden beroep, anders dan direct voortvloeiend uit het beroeps- of bedrijfsmatig gebruik.
  6. het gebruik van de gronden voor het oprichten van windturbines.

3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van Burgemeester en Wethouders:
    1. waterlopen en waterpartijen te dempen;
    2. houtsingels te rooien of te kappen.
  2. De in sub a, bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist voor normaal onderhoud en beheer.
  3. De in sub a, bedoelde omgevingsvergunning mag slechts worden verleend indien door uitvoering van het werk of de werkzaamheid geen onevenredige afbreuk wordt gedaan of zal worden gedaan aan het landschappelijke karakter van het patroon van boomsingels en waterlopen en waterpartijen en de waterhuishoudkundige betekenis van de waterlopen en waterpartijen.
  4. De in sub a, bedoelde omgevingsvergunning mag slechts worden verleend indien door uitvoering van het werk of de werkzaamheid geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het besloten karakter van het landschap en de daarbij behorende opstrekkende kavelstructuur.

3.6 Wijzigingsbevoegdheid

  1. Burgemeester en Wethouders kunnen, overeenkomstig de Wet ruimtelijke ordening de bestemming wijzigen in de bestemming ‘Bedrijf’ ten behoeve van de bedrijven als genoemd in categorie 1 en 2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijven (bijlagen bij de regels bijlage 2), met dien verstande dat de regels van de bestemming 'Bedrijf', van overeenkomstige toepassing zijn en er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    • een goede woonsituatie;
    • de verkeersveiligheid;
    • de sociale veiligheid;
    • de milieusituatie;
    • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
  2. Op een besluit tot wijziging als bedoeld in sub a, is de in de Wet ruimtelijke ordening geregelde procedure van toepassing.
     

Artikel 4 Cultuur en ontspanning - Openluchttheater

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Cultuur en ontspanning - Openluchttheater' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. openluchtvoorstellingen;
met daaraan ondergeschikt;
  1. ondergeschikte horeca;
  2. ondergeschikte detailhandel;
met de daarbijbehorende:
  1. terreinen;
  2. wegen en paden;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. water;
  6. gebouwen;
  7. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  8. werken, geen bouwwerken zijnde.

4.2 Bouwregels

  1. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
    1. gebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
    2. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal ten hoogste 240 m² bedragen;
    3. de goothoogte van de gebouwen zal ten hoogste 3,50 m bedragen;
    4. de bouwhoogte van de gebouwen zal ten hoogste 8,00 m bedragen.
  2.  Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
    1. de bouwhoogte terrein en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
    2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen.

4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:
  1. het bebouwingsbeeld,
  2. een goede woonsituatie;
  3. de verkeersveiligheid;
  4. ecologische waarde van het plangebied en de bos- en natuurgebieden in de directe omgeving.

4.4 Specifieke gebruiksregels

 
4.4.1 Strijdig gebruik
Tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor horecadoeleinden, anders dan ondergeschikte horeca ten tijde van de op jaarbasis toegestane 8 openluchtvoorstellingen ter plekke van de theatervoorzienigen;
  2. het gebruik van de gronden voor het oprichten van windturbines;
  3. het gebruik van gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  4. het verlichten van delen van het bestemmingsvlak, uitgezonderd ten tijde van de op jaarbasis toegestane 8 openluchtvoorstellingen ter plekke van de theatervoorzienigen; 
  5. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor detailhandel, anders dan ondergeschikte detailhandel ten tijde van de op jaarbasis toegestane 8 openluchtvoorstellingen ter plekke van de theatervoorzienigen.
4.4.2 Bijzondere gebruiksbepalingen
Voor het uitvoeren van openluchtvoorstellingen,  ter plaatse van de bestemming Cultuur en ontspanning - Openluchttheater gelden de volgende bepalingen:
  1. er mogen per kalenderjaar maximaal 8 openluchtvoorstellingen worden opgevoerd;
  2. alleen tijdens de 8 openluchtvoorstellingen is elektrisch of mechanisch versterkt geluid toegestaan.

Artikel 5 Tuin

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. tuinen en erven behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen en voor de in het plan nader aangeduide functies;
  2. paden;

5.2 Bouwregels

  1. Op gronden met deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd.
  2. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
    de gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m²;
    1. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 2,5 m;
    2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1,5 m.

5.3 Specifieke gebruiksregels

Onder met deze bestemming strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
  1. het stallen van vlieg-, vaar- en voertuigen, anders dan ten behoeve van het woongenot;
  2. het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor het storten van puin en afvalstoffen;
  3. het gebruik van de gronden voor het oprichten van windturbines;
  4. het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor de opslag van schroot-, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan voor de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden.
     

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:
    1. waterlopen en waterpartijen te dempen;
    2. houtsingels te rooien of te kappen.
  2. De in sub a, bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist voor normaal onderhoud en beheer.
  3. De in sub a, bedoelde omgevingsvergunning mag slechts worden verleend indien door uitvoering van het werk of de werkzaamheid geen onevenredige afbreuk wordt gedaan of zal worden gedaan aan het landschappelijke karakter van het patroon van boomsingels en waterlopen en waterpartijen en de waterhuishoudkundige betekenis van de waterlopen en waterpartijen.
  4. De in sub a, bedoelde omgevingsvergunning mag slechts worden verleend indien door uitvoering van het werk of de werkzaamheid geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het besloten karakter van het landschap en de daarbij behorende opstrekkende kavelstructuur.

5.5 Wijzigingsbevoegdheid

  1. Burgemeester en Wethouders kunnen, overeenkomstig de Wet ruimtelijke ordening, de bestemming wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ ten behoeve van de bouw van ondergeschikte bebouwing, mits er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde dan wel een verkregen hogere grenswaarde en met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    • een goede woonsituatie;
    • de verkeersveiligheid;
    • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
    • architectonisch waardevol gebied
  2. Op een besluit tot wijziging als bedoeld in sub a, is de in de Wet ruimtelijke ordening geregelde procedure van toepassing.

Artikel 6 Wonen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, zoals genoemd in de bij deze regels behorende lijst van toegestane beroepen en bedrijven aan huis (bijlagen bij de regels bijlage 1);
  2. ondergeschikte bebouwing;
met de daarbij behorende:
  1. groenvoorzieningen;
  2. openbare nutsvoorzieningen;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. tuinen, erven en terreinen;
  5. waterlopen en waterpartijen;
  6. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

6.2 Bouwregels

  1. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
    1. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
    2. het aantal woningen per bouwvlak bedraagt niet meer dan 1;
    3. de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan de bestaande goothoogte;;
    4. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte;
    5. de dakhelling van een hoofdgebouw mag niet meer of minder bedragen dan de bestaande dakhelling;
    6. de dakvorm van een hoofdgebouw mag uitsluitend de bestaande dakvorm bedragen.
  2. Voor het bouwen van ondergeschikte bebouwing bij hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
    1. ondergeschikte bebouwing wordt ten minste 1 m achter (de lijn welke kan worden getrokken in het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd, dan wel op ten minste de bestaande afstand achter (de lijn welke kan worden getrokken in het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, indien deze minder is dan 1 m;
    2. de gezamenlijke oppervlakte van de ondergeschikte bebouwing per hoofdgebouw bedraagt:
      1. bij een bouwperceel met een oppervlakte van ten hoogste 1000 m² niet meer dan 100 m², met dien verstande dat niet meer dan 50% van het bouwperceel mag worden bebouwd, dan wel het bestaande percentage indien dit meer is;
      2. bij een bouwperceel met een oppervlakte van meer dan 1000 m² niet meer dan 10% van de oppervlakte van het bouwperceel, tot een maximum van 200 m², dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer is;
    3. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m, dan wel ten hoogste de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw voor zover aan dit hoofdgebouw wordt gebouwd, dan wel de bestaande goothoogte indien deze meer bedraagt;
    4. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedraagt;
    5. in aanvulling op het bepaalde onder 4 dient de bouwhoogte ten minste 1 m lager te zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw, dan wel het bestaande verschil in bouwhoogte indien dit minder is dan 1 m.
  3. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
    1. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 4 m;
    2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan 3 m.

6.3 Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de goothoogte, bouwhoogte en dakhelling van gebouwen en de afmetingen en, voor zover buiten een bouwvlak wordt gebouwd, de plaats van de bebouwing, ten behoeve van:
  • een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • het behoud en herstel van de architectonische waarden en hun onderlinge samenhang op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'architectonisch waardevol gebied';
  • een goede woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

6.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  • een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • het behoud en herstel van de architectonische waarden en hun onderlinge samenhang op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'architectonisch waardevol gebied';
  • een goede woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • architectonisch waardevol gebied,
bij een omgevingsvergunning afwijken van:
  1. het bepaalde in artikel 6 lid 2 sub a onder 1 voor het bouwen buiten het bouwvlak, mits er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde, dan wel een verkregen hogere grenswaarde;
  2. het bepaalde in artikel 6 lid 2 sub b onder 4 en artikel 6 lid 2 sub b onder 5, ten behoeve van het bouwen van ondergeschikte bebouwing met een bouwhoogte die ten hoogste de bouwhoogte van het hoofdgebouw bedraagt;
  3. het bepaalde in artikel 6 lid 2 sub c ten behoeve van het bouwen van een erfafscheiding met een hoogte van niet meer dan 2 m op een zijerf, met dien verstande dat deze erfafscheiding parallel aan de zijdelingse perceelgrens dient te worden gebouwd.

6.5 Specifieke gebruiksregels

Onder met deze bestemming strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
  1. het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande ondergeschikte gebouwen voor bewoning;
  2. het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande ondergeschikte gebouwen voor een aan-huis-verbonden beroep, detailhandel en bedrijfsfunctie;
  3. het gebruiken of laten gebruiken van bouwwerken voor recreatief nachtverblijf;
  4. het gebruik van de gronden voor het oprichten van windturbines;
  5. het gebruiken of laten gebruiken van gebouwen voor niet-permanente bewoning;
  6. het stallen van vlieg-, vaar- en voertuigen, anders dan ten behoeve van het woongenot;
  7. het gebruik of laten gebruiken van gebouwen ten behoeve van een koffiehuis/coffeeshop;
  8. het gebruiken of laten gebruiken van woningen in combinatie met een aan huis verbonden beroep en/of bedrijf, zodanig dat de woonfunctie niet in overwegende mate wordt uitgeoefend en er ernstige hinder of afbreuk wordt gedaan aan het woonmilieu. Dit is het geval als:
    1. de oppervlakte meer bedraagt dan 50% van de oppervlakte van het hoofdgebouw, vermeerderd met het oppervlak van aan het hoofdgebouw gebouwde ondergeschikte gebouwen, met een maximum van 45 m²;
    2. de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin niet primair is;
    3. de oppervlakte van een reclamebord meer bedraagt dan 0,5 m²;
    4. parkeren niet op eigen erf plaatsvindt;
    5. er sprake is van een onevenredige verkeers- en/of publieksaantrekkende werking;
    6. buitenopslag van goederen plaatsvindt;
  9. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en gebouwen voor detailhandelsactiviteiten bij een aan-huis-verbonden beroep, anders dan direct voortvloeiend uit het beroeps- of bedrijfsmatig gebruik, met uitzondering van detailhandel uitgeoefend op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel'.
     

6.6 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  • een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • het behoud en herstel van de architectonische waarden en hun onderlinge samenhang op de gronden ter plaatse van de aanduiding “architectonisch waardevol gebied”;
  • een goede woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden,
bij een omgevingsvergunning afwijken van:
  1. het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6 lid 1 en  artikel 6 lid 5 voor de vestiging van aan-huis-verbonden beroepen die niet zijn genoemd in de 
    bijlagen bij de regels bijlage 1, mits deze aan-huis-verbonden beroepen naar aard en effecten op het woon- en leefklimaat kunnen worden gelijk gesteld met de aan-huis-verbonden beroepen die wel zijn genoemd.
  2. het bepaalde in artikel 6 lid 1 en artikel 6 lid 5 voor de vestiging van bedrijven uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf', die niet zijn genoemd in de Staat van Bedrijven (bijlagen bij de regels bijlage 2), mits deze bedrijven naar aard en effecten op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woon-gebieden, voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid, kunnen worden gelijkgesteld met de bedrijven welke wel zijn genoemd.

6.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:
    1. waterlopen en waterpartijen te dempen;
    2. houtsingels te rooien of te kappen.
  2. De in sub a, bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist voor normaal onderhoud en beheer.
  3. De in sub a, bedoelde omgevingsvergunning mag slechts worden verleend indien door uitvoering van het werk of de werkzaamheid geen onevenredige afbreuk wordt gedaan of zal worden gedaan aan het landschappelijke karakter van het patroon van boomsingels en waterlopen en waterpartijen en de waterhuishoudkundige betekenis van de waterlopen en waterpartijen.
  4. De in sub a, bedoelde omgevingsvergunning mag slechts worden verleend indien door uitvoering van het werk of de werkzaamheid geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het besloten karakter van het landschap en de daarbij behorende opstrekkende kavelstructuur.

Artikel 7 Waarde - Natuur

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd, behalve voor de ander daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:
  1. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurlijke waarde, de landschappelijke waarde en de ecologische waarde; 
  2. extensieve dagrecreatie;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - andere bouwwerken' mede voor een ooievaarsnest.

7.2 Bouwregels

Op de voor 'Waarde - Natuur' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met inachtneming van een maximale bouwhoogte van 3 m, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - andere bouwwerken' de bouwhoogte van het ooievaarsnest niet meer dan 6 m mag bedragen.

7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

7.3.1 Verbod
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het kappen en/of rooien van bomen en/of houtgewas;
  2. het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen en ophogen van gronden;
  3. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, waaronder begrepen het verharden van onverharde paden;
  4. het aanleggen van nieuwe fiets-, wandel- of ruiterpaden en voorzieningen ten behoeve van extensieve dagrecreatie;
  5. het aanbrengen van drainage;
  6. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse of bovengrondse kabels en leidingen ten behoeve van de drinkwatervoorziening, de riolering, de waterhuishouding, de energievoorziening en de datacommunicatie.
7.3.2 Uitzondering op verbod
Het in artikel artikel 7 lid 3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden:
  1. die het normale onderhoud betreffen;
  2. die reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
  3. waarvoor een vergunning (te verlenen door de minister) is vereist krachtens de Natuurbeschermingswet;
  4. die worden uitgevoerd krachtens een vastgesteld beheersplan;
7.3.3 Strijd met de bestemming
Uitvoering van de werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden is in strijd met de bestemming indien daardoor dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting van de waarden van deze gronden kan plaatsvinden.

3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

Onder met de bestemmingen strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijvingen, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
  1. het zodanig inrichten van een erf dat op het erf onvoldoende parkeergelegenheid is
  2. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen;
  3. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van risicovolle inrichtingen;
  4. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  5. zelfstandige bewoning van bijbehorende bouwwerken;
  6. de bewoning van bedrijfsruimte(n), niet zijnde bedrijfswoningen;
  7. het (laten) gebruiken van gronden als paardenbak, renbaan of menterrein, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan;
  8. het (laten) gebruiken van gronden voor de opslag van voer, hooibalen en daarmee vergelijkbare zaken buiten de bestemming ' Bedrijf - Tuincentrum ' of ' Wonen ';

Artikel 10 Algemene aanduidingsregels

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - radar' geldt dat die gronden - naast de aangewezen bestemming(en) - tevens bestemd zijn voor de bescherming van de functionele bruikbaarheid van het radarstation.
 
Ter plaatse van de aanduiding ‘Architectonische waardevol gebied’ geldt dat de gronden - naast de aangewezen bestemming(en) - tevens bestemd zijn voor het behoud en herstel van de bestaande architectonische waarden en onderlinge samenhang.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
  • een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • een goede woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden, waaronder de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven in de omgeving,
bij een omgevingsvergunning afwijken van:
  1. de bij recht in het plan gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  2. de bestemmingsregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geven;
  3. de bestemmingsregels en toestaan dat bouwgrenzen/rooilijnen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  4. de bestemmingsregels ten behoeve van de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangetast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
  5. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 m;
  6. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40 m;
  7. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen;
  8. de bestemmingsregels het plan voor het overschrijden van de grenzen van een bouwvlak naar de buitenzijde door:
    1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen;
    2. gevel- en kroonlijsten, overstekende daken;
    3. (hoek)erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen.

Artikel 12 Algemene wijzigingsregels

  1. Burgemeester en Wethouders kunnen, overeenkomstig de Wet ruimtelijke ordening, aanduidingen met betrekking tot de functie verwijderen of toevoegen, met dien verstande dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    2. de woonsituatie;
    3. de verkeersveiligheid;
    4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
  2. Burgemeester en Wethouders kunnen, overeenkomstig de Wet ruimtelijke ordening, de bestemming ‘Wonen’ voor wat betreft het bouwvlak wijzigen ten behoeve van een groter hoofdgebouw al dan niet in combinatie met een wijziging van de bestemming ‘Tuin’ in de bestemming ‘Wonen’ met dien verstande dat:
    1. de afstand van het hoofdgebouw tot de perceelsgrens ten minste 3 m dient te bedragen;
    2. en er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      1. het straat- en bebouwingsbeeld;
      2. de woonsituatie;
      3. de verkeersveiligheid;
      4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
 
 

Artikel 13 Algemene procedureregels

  1. Een ontwerpbesluit tot nadere eisen waarbij toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening, ligt, met bijbehorende stukken, gedurende 2 weken ter secretarie ter inzage.
  2. Het college van Burgemeester en Wethouders maakt de terinzagelegging te voren in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, of op een andere geschikte wijze bekend.
  3. De bekendmaking houdt mededeling in van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen voor een ieder.
  4. Gedurende de in lid a genoemde termijn kan een ieder bij het College van Burgemeester en Wethouders mondeling en schriftelijk zienswijzen indienen tegen het ontwerpbesluit.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
  • gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  1. Burgemeester en Wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde in sub 1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met niet meer dan 10%.
  2. Het bepaalde in sub 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

14.2 Overgangsrecht gebruik

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sub 1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in sub 1, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde in sub 1 is niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Artikel 15 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:
 
'Regels van het bestemmingsplan Theatertuin Broeksterwâld'.
 
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering .............................